Vaccineren en titeren bij honden | Deel 1: Pups

Gepubliceerd op 30 augustus 2026 om 15:06

Een tweeluik voor hondeneigenaren die weloverwogen keuzes willen maken

Niet vóór of tegen vaccineren, maar per levensfase en per ziekte kijken naar
risico, bescherming, werkzaamheid en wat je daadwerkelijk kunt meten.

Vaccineren van pups: hoe het ook anders kan

Een pup krijgt in de eerste maanden van zijn leven vaak meerdere vaccinaties. Dat kan de indruk wekken dat zijn immuunsysteem al die prikken nodig heeft om voldoende bescherming op te bouwen. De belangrijkste reden voor die herhaling is echter anders: Het standaard puppyschema is gebaseerd op vaccineren op meerdere leeftijden, zodat de kans groter wordt dat ten minste één vaccinatie wordt gegeven op een moment waarop de antistoffen van de moeder voldoende zijn afgenomen.

De pup begint niet zonder bescherming

Een pup krijgt antistoffen van zijn moeder mee. Een klein deel daarvan wordt al vóór de geboorte via de placenta overgedragen, maar het overgrote deel krijgt de pup na de geboorte via de eerste moedermelk, de biest. Dit noemen we passieve immuniteit: de pup maakt deze antistoffen niet zelf, maar krijgt ze tijdelijk van zijn moeder. Hoeveel antistoffen een pup ontvangt, hangt onder andere af van de hoeveelheid antistoffen bij de moeder en van hoeveel en hoe snel de pup na de geboorte biest drinkt. Ook pups uit hetzelfde nest kunnen daardoor verschillende hoeveelheden antistoffen meekrijgen.

Als pups heel jong zijn, hebben ze dus vaak nog antistoffen van hun moeder in hun bloed. Die beschermen hen tijdelijk tegen infecties. Deze antistoffen verdwijnen geleidelijk. > En daar zit een lastig punt: Zolang er nog voldoende antistoffen van de moeder aanwezig zijn, kunnen die ook een vaccinatie tegenhouden. Het vaccin wordt dan als het ware geneutraliseerd voordat het eigen afweersysteem van de pup goed kan reageren. Pas wanneer de antistoffen van de moeder voldoende zijn afgenomen, kan een vaccinatie betrouwbaar aanslaan en kan de pup zelf bescherming en immunologisch geheugen opbouwen.

Belangrijk: de pup krijgt de antistoffen van de moeder mee, maar niet haar immunologische geheugen. Uiteindelijk moet de pup dus zelf een robuuste immuniteit opbouwen. Dat kan na een vaccinatie (die moet dan wel succesvol zijn/aanslaan), maar ook na contact met een ziekteverwekker waarbij het eigen afweersysteem een immuunrespons opbouwt. De pup hoeft daarbij niet per se ziek te worden.

Belangrijk is dus om te weten: Gevaccineerd zijn is niet automatisch hetzelfde als beschermd zijn.

Lees ook het artikel van Landelijk InformatieCentrum Gezelschapsdieren (LICG), dat onafhankelijke voorlichting geeft over het houden en verzorgen van huisdieren:  https://www.licg.nl/titeren-en-vaccineren/

Waarom meerdere vaccinaties?

Omdat vooraf niet precies bekend is wanneer de maternale antistoffen bij de individuele pup voldoende zijn gedaald. Door op meerdere leeftijden te vaccineren, wordt de kans groter dat ten minste één vaccinatie plaatsvindt op een moment waarop deze wél kan aanslaan.

Dat betekent niet dat iedere DHP*-prik een extra laag bescherming toevoegt. Een vroege prik kan al succesvol zijn, maar kan ook grotendeels door maternale antistoffen worden geneutraliseerd. Omdat bij iedere pup de antistoffen van de moeder op een ander moment verdwijnen, worden pups voor de zekerheid meerdere keren gevaccineerd (volgens het standaardschema van 6, 9, 12 en soms nog 16 weken en tegenwoordig soms ook op een half jaar). Zo is de kans groot dat er in ieder geval één vaccinatie wordt gegeven op het moment dat deze goed kan aanslaan.

*De DHP-prik beschermt tegen drie virusziekten: hondenziekte (Distemper), besmettelijke leverziekte (Hepatitis) en Parvo.

Er kan een periode ontstaan waarin de antistoffen van de moeder al te laag zijn om een pup voldoende tegen infectie te beschermen, maar nog hoog genoeg om een vaccinatie te hinderen. Dit wordt het ‘window of susceptibility’ genoemd. Wanneer deze periode begint en eindigt, verschilt per pup. Zonder te meten weet je niet wanneer een individuele pup zich in deze kwetsbare periode bevindt.

Titeren bij pups: meten in plaats van alleen op leeftijd handelen

Met een titertest kan worden onderzocht of er nog antistoffen tegen parvo, hondenziekte en adenovirus aanwezig zijn. Bij een jonge pup kunnen dit maternale antistoffen zijn. Dat is juist relevante informatie wanneer je wilt weten of vaccineren op dat moment waarschijnlijk zinvol is.

Een titergestuurde aanpak kan bijvoorbeeld bestaan uit: rond 6 weken voor het eerst meten hoeveel antistoffen van de moeder nog aanwezig zijn. Zijn die nog voldoende aanwezig, dan kan na ongeveer 2–3 weken opnieuw worden gemeten (soms eerder afhankelijk van de uitslag). Dit wordt zo nodig herhaald, bijvoorbeeld rond 9 en 12 weken. Zodra de antistoffen van de moeder voldoende zijn afgenomen, wordt de pup gevaccineerd. Minimaal 4 weken na die vaccinatie kan opnieuw worden getiterd om te controleren of de pup zelf antistoffen heeft opgebouwd.

Het KNMvD (Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde) erkent dat titeren bij pups mogelijk is, maar geeft de voorkeur aan het standaard vaccinatieschema. Als bezwaren tegen titeren worden onder andere genoemd dat pups iedere twee tot drie weken getest moeten worden, dat daarvoor bloed moet worden afgenomen en dat niet exact bekend is bij welke hoeveelheid antistoffen van de moeder een vaccinatie gegarandeerd zal aanslaan.

Dat eerste argument vind ik persoonlijk niet erg overtuigend. Ook voor het standaard vaccinatieschema moet een pup meerdere keren naar de dierenarts en wordt hij meerdere keren geprikt. Voor een titertest is maar een hele kleine hoeveelheid bloed nodig. Hoe belastend zo'n bloedafname is, zal bovendien sterk afhangen van hoe rustig en vaardig die wordt uitgevoerd. Mijn honden hebben daar bij ervaren dierenartsen nog nooit een punt van gemaakt.

Daar staat bovendien een belangrijk voordeel tegenover: door eerst te meten kun je voorkomen dat je een vaccin geeft op een moment waarop er nog zoveel antistoffen van de moeder aanwezig zijn dat het vaccin waarschijnlijk niet goed kan aanslaan. Een vaccinatie is immers een medische interventie. Het lijkt mij logisch om een vaccin alleen toe te dienen wanneer daar een redelijke verwachting van gezondheidswinst tegenover staat.

Het tweede argument is inhoudelijk relevanter: met een titertest kun je niet tot op de dag nauwkeurig voorspellen wanneer een vaccinatie gegarandeerd zal aanslaan. Titeren neemt dus niet alle onzekerheid weg. Maar het geeft wél informatie over de individuele pup die je zonder titeren niet hebt.

Daarmee worden eigenlijk twee verschillende manieren gebruikt om met dezelfde onzekerheid om te gaan: bij het standaardschema vaccineer je meerdere keren in de hoop dat ten minste één vaccinatie op het juiste moment valt; bij titergestuurd vaccineren probeer je door te meten beter te bepalen wanneer dat moment is.

Welke aanpak je kiest, is uiteindelijk een afweging. Maar alleen het argument dat bloed afnemen belastend is, vind ik onvoldoende om titergestuurd vaccineren bij pups terzijde te schuiven. Het gaat echt om een hele kleine hoeveelheid bloed voor de titertesten. 

Een derde mogelijkheid: na de puppyserie controleren

Wie het standaard vaccinatieschema volgt, kan na de laatste puppyvaccinatie ook titeren om te controleren of de pup daadwerkelijk antistoffen heeft opgebouwd. Het LICG noemt hiervoor minimaal vier weken na de laatste puppyvaccinatie. De KNMvD gaat niet zover om deze controle standaard te adviseren. Zij geeft bij pups de voorkeur aan de volledige basisvaccinatie. Wanneer de laatste DHP-vaccinatie op zestien weken is gegeven, noemt de KNMvD wel de mogelijkheid om rond één jaar te titeren om te bepalen of de gebruikelijke boostervaccinatie nodig is.

Persoonlijk vind ik het opvallend dat hier niet sterker wordt gekozen voor ‘meten is weten’. We weten dat vaccinaties bij pups door antistoffen van de moeder kunnen worden tegengehouden. Toch is het uitgangspunt van de KNMvD na de puppyvaccinaties niet om standaard te controleren of de pup daadwerkelijk zelf voldoende antistoffen heeft opgebouwd. Er wordt vooral vertrouwd op het vaccinatieschema.

Dat vind ik een gemiste kans. Een vaccinatie in het boekje vertelt immers alleen dat het vaccin is toegediend, niet dat de pup er ook daadwerkelijk immuniteit door heeft opgebouwd. Juist omdat we weten dat vaccinaties bij pups niet altijd aanslaan, lijkt het mij logisch om na afloop te controleren of het doel is bereikt: bescherming.

Het LICG noemt die mogelijkheid wel en geeft aan dat vanaf minimaal vier weken na de laatste puppyvaccinatie kan worden gecontroleerd of de pup voldoende antistoffen heeft opgebouwd. 

Het doel is niet een volledig ingevuld vaccinatieboekje. Het doel is aantoonbare, relevante bescherming.

Wat neem je als pupeigenaar mee uit dit artikel?

  • Maternale antistoffen beschermen de pup tijdelijk, maar geven hem niet het immunologische geheugen van de moeder (meer robuuste langdurigere bescherming).
  • Dezelfde maternale antistoffen kunnen een vroege vaccinatie neutraliseren (dan slaat het vaccin niet aan).
  • De herhaalde DHP-vaccinaties zijn vooral bedoeld om de kans te vergroten dat ten minste één vaccinatie wordt gegeven op een moment waarop de antistoffen van de moeder voldoende zijn afgenomen om het vaccin te laten aanslaan.
  • Titeren kan informatie geven over de individuele pup, maar neemt het kwetsbare venster niet volledig weg.
  • Na de puppyserie titeren is een manier om te controleren of actieve immuniteit daadwerkelijk is opgebouwd.

Vraag je dierenarts naar de mogelijkheid om een titertest bij je pup uit te voeren. Lees deze info door, zodat je weet hoe het zit en stel je vragen. 

Mijn conclusie

Zelf ben ik voorstander van begin af aan als pup al titeren. Niet omdat ik tegen vaccineren ben, maar juist omdat ik een vaccinatie graag wil geven op een moment waarop die daadwerkelijk iets kan toevoegen. En het 3 of 4 x vaccineren in de hoop het goede moment te hebben, vind ik dan juist weer een weinig wetenschappelijke benadering. 

We weten dat pups verschillende hoeveelheden antistoffen van hun moeder meekrijgen en dat die antistoffen bij de ene pup eerder verdwijnen dan bij de andere. We weten ook dat deze antistoffen een vaccinatie kunnen tegenhouden. In plaats van vaccineren lijkt het me veel logischer om eerst te meten en daarna pas te gaan handelen.

Zijn er nog voldoende antistoffen van de moeder aanwezig, dan is de pup op dat moment nog beschermd en kan vaccinatie mogelijk nog niet goed aanslaan. Zijn ze voldoende afgenomen, dan ontstaat een logisch moment om te vaccineren. En na de vaccinatie kun je opnieuw meten om te controleren of de pup daadwerkelijk zelf antistoffen heeft opgebouwd.

Geen enkele aanpak kan alle risico’s uitsluiten. Het verschil is dat je bij het standaardschema op verschillende leeftijden vaccineert om de kans te vergroten dat één vaccinatie op het juiste moment aanslaat, terwijl je bij titeren probeert meer zicht te krijgen op wanneer dat moment bij de individuele pup is.

Welke aanpak je ook kiest, wat ik altijd zou adviseren: kijk door middel van een titer of je pup beschermd is. Want zelfs na meerdere keren vaccineren kan blijken dat de hond geen antistoffen heeft opgebouwd.

Dat is uiteindelijk mijn uitgangspunt: zo gericht mogelijk actie ondernemen. Meten waar we kunnen meten, vaccineren waar het nodig is.

En hoe zit het daarna?

Als een pup eenmaal zelf immuniteit heeft opgebouwd, verandert de vraag. Dan gaat het niet meer om antistoffen van de moeder en het juiste moment voor de eerste vaccinatie, maar om de vraag hoe lang die opgebouwde bescherming blijft bestaan en wanneer een nieuwe vaccinatie daadwerkelijk iets toevoegt.

In deel 2 kijken we daarom naar de volwassen hond. Hoe lang werkt een DHP-vaccinatie eigenlijk? Wat zeggen antistoffen over bescherming? Welke rol spelen geheugencellen? Wanneer heeft titeren zin? En waarom kun je DHP, leptospirose, kennelhoest en rabiës niet zomaar over één kam scheren?

Want ook bij de volwassen hond blijft voor mij dezelfde vraag centraal staan: vaccineren we omdat het schema zegt dat het weer tijd is, of omdat er op dat moment daadwerkelijk een reden is om te vaccineren?

 

M A R J O N

 

Bronnen bij deel 1

  • KNMvD.
  • LICG. Titeren en vaccineren; Vaccinatie van de hond.
  • WSAVA Vaccination Guidelines 2024 - gebruikt als internationale wetenschappelijke verdieping waar de Nederlandse bronnen minder detail geven. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.