Westnijl en andere virussen: hoe weerbaar is ons paard?

Gepubliceerd op 27 augustus 2026 om 17:17

Westnijlvirus bij Nederlandse paarden. Een nieuw Shamonda-achtig virus dat in Zwitserland ook bij paarden werd gezien. Blauwtong dat de afgelopen jaren opnieuw voor grote problemen zorgde bij schapen. Vectorovergedragen virussen lijken steeds nadrukkelijker aanwezig in Nederland en de verwachting is dat we daar in de toekomst vaker mee te maken krijgen. 

Dat vraagt om alertheid. Maar angst helpt ons niet veel verder. Dierenartsen leggen vaak niet veel meer uit dan dat de oplossing vaccineren is, maar ik wil er dan graag meer over weten. Ik deel wat ik heb uitgezocht graag met jullie. Zodat je zelf een weloverwogen kunt besluiten hoe je hier mee om gaat.

Want wat betekent het eigenlijk als een virus in Nederland circuleert? Hoe groot is de kans dat een paard besmet raakt? En als een paard besmet raakt, hoe groot is dan de kans dat het daadwerkelijk ziek wordt? Waarom krijgt het ene dier nauwelijks verschijnselen, terwijl een ander dier ernstig ziek wordt? En wat kunnen we, naast het beperken van blootstelling en eventueel vaccineren, doen om een paard zo weerbaar mogelijk te maken?

Westnijlvirus is inmiddels in Nederland

Het westnijlvirus (WNV) is geen nieuw virus. Het komt oorspronkelijk uit Afrika, maar heeft zich de afgelopen decennia over grote delen van de wereld verspreid. In september 2025 werd WNV voor het eerst bij Nederlandse paarden vastgesteld. In 2026 zien we meer gevallen.

Volgens Wageningen University & Research (WUR) waren er op 25 augustus 2026 vijf paarden met een recent aangetoonde WNV-infectie: vier in Zuid-Holland, tussen Rotterdam en Den Haag, en één ten zuiden van Nijmegen. De paarden hadden neurologische verschijnselen, waaronder ataxie en spiertrillingen. Sommige hadden koorts.

Van deze vijf paarden waren er op dat moment vier herstellende. Eén paard is vanwege de ernst van de klachten geëuthanaseerd. Daarnaast liepen onderzoeken naar meerdere verdachte gevallen. In 2025 waren drie Nederlandse paarden positief.

Dat betekent nadrukkelijk niet dat in heel Nederland slechts vijf paarden met het virus in aanraking zijn gekomen. We vinden vooral de paarden die klachten ontwikkelen, bij een dierenarts terechtkomen en vervolgens worden getest.

Besmet raken is niet hetzelfde als ziek worden

Bij de meeste paarden verloopt een WNV-infectie zonder duidelijke ziekteverschijnselen. WUR schrijft dat de meeste (90%) geïnfecteerde paarden geen zichtbare verschijnselen krijgen; een kleiner gedeelte krijgt milde klachten zoals koorts, sloomheid of verminderde eetlust en slechts een deel ontwikkelt neurologische verschijnselen.

Dat betekent dat de vijf Nederlandse klinische gevallen niet gebruikt kunnen worden om een Nederlands sterftepercentage te berekenen. Eén geëuthanaseerd paard op vijf bevestigde klinische gevallen betekent dus níét dat 20 procent van alle met WNV geïnfecteerde paarden overlijdt. De werkelijke groep geïnfecteerde paarden kan aanzienlijk groter zijn.

Tegelijkertijd moeten we WNV niet bagatelliseren. Wanneer het virus het centrale zenuwstelsel bereikt, kan het ziektebeeld ernstig worden. Paarden kunnen onder andere spiertrillingen, zwakte, ataxie, gedragsveranderingen en verlammingsverschijnselen ontwikkelen. Vooral wanneer een paard niet meer zelfstandig kan staan, wordt de prognose aanzienlijk slechter.

Van vogel naar mug naar paard

WNV is een zogenoemd vectorovergedragen virus. Vectorovergedragen virussen zijn virussen die voor hun verspreiding gebruikmaken van een ander organisme, meestal een bloedzuigend insect. Bij Westnijlvirus is die vector een steekmug. Bij virussen zoals blauwtong en waarschijnlijk Shamonda zijn het vooral knutten.

De natuurlijke cyclus verloopt voornamelijk tussen vogels en muggen: besmette vogel → mug → vogel: Een mug neemt het virus op tijdens een bloedmaaltijd bij een geïnfecteerde vogel. Het virus vermenigvuldigt zich in de mug en kan tijdens een volgende bloedmaaltijd worden overgedragen. Wanneer die mug een paard steekt, kan ook het paard geïnfecteerd raken: vogel → mug → paard.

Paarden en mensen zijn bij WNV zogenaamde eindgastheren. Het virus kan zich wel in hen vermenigvuldigen, maar er ontstaat doorgaans onvoldoende virus in het bloed om een volgende mug effectief te infecteren. Een geïnfecteerd paard vormt daardoor geen relevante besmettingsbron voor andere paarden (en ook niet voor mensen).

Andere vectorovergedragen virussen

Terwijl WNV bij Nederlandse paarden wordt gevonden, duikt er vrijwel tegelijkertijd een ander vectorovergedragen virus op: een Shamonda-like orthobunyavirus. Het werd deze zomer aangetroffen bij runderen in onder andere Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en Nederland. Bij runderen worden vooral koorts, diarree en een daling van de melkproductie gezien.

Maar inmiddels is het virus ook bij paarden gevonden: In Zwitserland werden deze zomer meerdere paarden gezien met opvallende neurologische verschijnselen, waaronder sloomheid en slaperigheid, ataxie, spiertrillingen, overgevoeligheid voor prikkels en evenwichtsproblemen. Sommige paarden herstelden, maar er waren ook paarden met zulke ernstige verschijnselen dat zij moesten worden geëuthanaseerd.

Op 25 augustus werd bekendgemaakt dat bij twee overleden paarden met neurologische verschijnselen genetisch materiaal van het Shamonda-like virus in het hersenweefsel is aangetoond. Opvallend was dat het virus niet in bloed of hersenvocht kon worden gevonden, maar wel in het hersenweefsel. Dat kan het lastig maken om een infectie bij een levend paard aan te tonen.

De vondst is een sterke aanwijzing dat het virus betrokken kan zijn bij de neurologische verschijnselen, maar bewijst nog niet definitief dat Shamonda-like daadwerkelijk de oorzaak was. Daarvoor is verder onderzoek nodig. We weten op dit moment ook nog niet hoe vaak paarden geïnfecteerd raken, hoeveel geïnfecteerde paarden daadwerkelijk ziek worden en hoe groot de kans op ernstige neurologische ziekte is.

Shamonda-like betekent overigens letterlijk 'Shamonda-achtig'. Het gevonden virus lijkt genetisch sterk op het al langer bekende Shamonda-virus. Omdat het nog verder wordt onderzocht, spreken onderzoekers voorlopig van Shamonda-like.

Daarmee hebben we deze zomer dus niet alleen te maken met Westnijlvirus bij Nederlandse paarden, maar mogelijk ook met een tweede, veel minder bekend virus dat neurologische verschijnselen bij paarden kan veroorzaken. Juist omdat er nog zoveel onbekend is, is het belangrijk onderscheid te blijven maken tussen blootstelling, infectie, ziekte en ernstige ziekte.

Voor zover momenteel bekend, zijn er in Nederland geen bevestigde klinische Shamonda-like gevallen bij paarden.

Een knut is geen mug

WNV en Shamonda-like hebben iets gemeen: voor hun verspreiding zijn bloedzuigende insecten nodig.

Maar het gaat om verschillende insecten. Westnijlvirus wordt vooral door steekmuggen overgedragen. Simbu-orthobunyavirussen zoals Shamonda-like ( en Blauwtong) worden voornamelijk met knutten (Culicoides) in verband gebracht.

Een knut is geen kleine mug, maar een ander insect. Knutten zijn piepklein, vaak maar enkele millimeters groot. Paardeneigenaren kennen Culicoides waarschijnlijk vooral als de knutten die een belangrijke rol spelen bij zomereczeem.

Dat verschil is praktisch relevant. Een gewone steekmug en een knut hebben andere broedplaatsen, activiteitspatronen en afmetingen. Knutten kunnen bovendien door openingen komen die voor grotere muggen al een behoorlijke barrière vormen.

"Beschermen tegen insecten" is dus eigenlijk te algemeen. Je moet weten welke vector je probeert tegen te houden.

Waarom wordt het ene paard ziek en het andere niet?

Dat is misschien wel de interessantste vraag rondom Westnijl.

Een virus dat door een mug wordt ingebracht, krijgt namelijk niet zomaar vrij spel. Vanaf het eerste moment ontstaat een interactie tussen virus en gastheer.

Het lichaam beschikt over verschillende verdedigingslagen:

De verschillende verdedigingslagen Uitleg
Huid en lokale afweer Onze huid wordt vaak de eerste verdedigingslinie genoemd. Een mug of knut heeft echter een slimme manier gevonden om een deel van deze barrière te omzeilen: hij prikt er dwars doorheen. Maar daarmee is de lokale afweer niet verdwenen. In en onder de huid bevinden zich onder andere dendritische cellen, macrofagen en andere immuuncellen die lichaamsvreemde structuren kunnen herkennen. Bovendien beïnvloedt het speeksel van het insect de lokale ontstekings- en immuunrespons. De strijd tussen virus en gastheer begint dus al op de plek van de beet.
De aangeboren afweer Daarna komt de aangeboren afweer in actie. Dit is de snelle eerste reactie van het lichaam op een indringer. Het mooie daarvan is dat het immuunsysteem WNV niet eerder hoeft te zijn tegengekomen. Cellen herkennen dat er iets niet klopt en geven waarschuwingssignalen af. Daardoor worden andere cellen als het ware in een verhoogde staat van paraatheid gebracht en komen verschillende afweercellen in actie. Het doel is vooral om te voorkomen dat het virus zich gemakkelijk kan vermenigvuldigen en verder door het lichaam verspreidt. Een paard kan dus wel degelijk geïnfecteerd zijn en er kunnen zelfs kleine veranderingen in de weefsels optreden, zonder dat het neurologisch ziek wordt.
De verworven (adaptieve) afweer Vervolgens komt de verworven afweer op gang (door natuurlijke blootstelling of vaccin). Deze reactie komt wat langzamer op gang, maar is veel gerichter. Het lichaam leert als het ware welke indringer het voor zich heeft en maakt antistoffen die specifiek bij dit virus passen. Bij paarden met WNV zien we dat deze snelle aangeboren afweer en de later op gang komende gerichte afweer samenwerken om het virus onder controle te krijgen.

Schade beperken en herstellen

Er is eigenlijk nog een verdedigingslaag die minder vaak wordt genoemd: het vermogen van het lichaam om de eigen immuunreactie te reguleren en ontstane schade te herstellen. Een immuunrespons moet namelijk niet maximaal zijn. Hij moet adequaat zijn.

Een paard moet snel genoeg reageren om virusvermeerdering te beperken, maar een excessieve ontstekingsreactie kan zelf schade veroorzaken. Dat wordt bijzonder relevant wanneer het centrale zenuwstelsel betrokken raakt.

Belangrijk is:

  • het vermogen van het lichaam om ontstekingsreacties op tijd weer af te remmen;
  • voldoende bescherming van cellen tegen schade door oxidatieve stress;
  • voldoende energie in de cellen om afweer en herstel mogelijk te maken;
  • gezonde bloedvaten;
  • een goed functionerende bloed-hersenbarrière, die helpt voorkomen dat ongewenste stoffen en ziekteverwekkers vanuit het bloed de hersenen bereiken;
  • voldoende eiwitten en aminozuren om weefsels te onderhouden en herstellen;
  • voldoende vitaminen en mineralen die nodig zijn om de afweer en bescherming van cellen goed te laten werken.

Het gaat dus niet alleen om een sterke afweer. Minstens zo belangrijk is dat het immuunsysteem snel en gericht reageert, niet onnodig doorschiet en daarna weer tot rust komt.

Kortom: het gaat om de algehele weerbaarheid van het paard. Niet alleen om een immuunsysteem dat snel en adequaat reageert, maar ook om een lichaam dat de reactie kan reguleren, schade kan beperken en goed kan herstellen.

Van muggenbeet tot neurologische ziekte

Je kunt het proces daarom ongeveer zo zien:

blootstelling aan een geïnfecteerde mug

virus wordt overgedragen

lokale afweer

aangeboren antivirale afweer

adaptieve afweer en antistoffen

virus onder controle?

Bij veel paarden: ja → geen of weinig klinische verschijnselen.

Bij een kleiner gedeelte: onvoldoende controle → verdere verspreiding → mogelijk aantasting van het zenuwstelsel.

Tegelijkertijd bepaalt het vermogen om ontsteking te reguleren en beschadigde weefsels te beschermen en herstellen mede hoeveel klinische schade uiteindelijk ontstaat. Dat maakt duidelijk waarom besmetting niet automatisch ziekte betekent.

Kun je de uitgangspositie van een paard beïnvloeden? (preventie)

Een goed functionerende immuunrespons, spierfunctie, energiehuishouding en herstelmechanismen zijn dus belangrijk. En de vraag is dan:

Welke omstandigheden heeft een paard nodig om zijn normale
verdedigings- en herstelmechanismen optimaal te laten functioneren?

Dan komen we uit bij fundamentele zaken. Ze zorgen er voor dat het lichaam zo goed mogelijk is voorbereid wanneer het met een ziekteverwekker te maken krijgt:

Beweging

Dagelijkse vrije beweging ondersteunt onder andere insulinegevoeligheid, cardiovasculaire functie, spiermassa, mitochondriale capaciteit en metabole gezondheid. Een paard dat dagelijks beweegt en voldoende spiermassa en conditie heeft, beschikt in algemene zin over meer fysiologische reserve dan een paard dat nauwelijks beweegt.

Een gezond lichaamsgewicht en metabole gezondheid

Bij mensen zijn onder andere diabetes, hypertensie, nierziekte, cardiovasculaire aandoeningen en immuunsuppressie geassocieerd met een groter risico op ernstig verloop van WNV.
Bij paarden weten we nog nauwelijks of bijvoorbeeld obesitas, insulinedysregulatie/EMS of PPID de kans op ernstige WNV beïnvloeden. Dat zou dus een relevante onderzoeksvraag kunnen zijn: welke factoren zorgen voor een verhoogde kans op ernstig verloop van WNV bij paarden.

Rust, herstel en stress

Ook een immuunsysteem kost energie. Chronische stress, onvoldoende rust, zware inspanning zonder voldoende herstel, transport en andere langdurige belastingen beïnvloeden verschillende immuun- en stresssystemen. 
Het gaat om het creëren van een zo goed mogelijke reserve.

Goede voeding vóórdat er iets gebeurt

Een paard heeft voldoende energie en kwalitatief eiwit nodig en een passende voorziening van onder andere:

  • lysine en andere essentiële aminozuren;
  • vitamine E;
  • selenium;
  • zink;
  • koper;
  • essentiële vetzuren.

Tekorten kunnen normale immuun-, spier- en antioxidantfuncties beperken. Maar meer is niet automatisch beter.

Vooral selenium is daarvan een goed voorbeeld: het is essentieel maar de veiligheidsmarge is relatief klein. Blind hoge doseringen geven is dus geen verstandige strategie.

Let op: Ga nu niet meteen in supplementen denken: kijk eerst naar het ruwvoer (gras of hooi) van je paard (dat is het aller, allerbelangrijkste) en bepaal dan wat er aanvullend nog nodig is aan vitaminen en mineralen. 
Het begint altijd bij de basis!

Vitamine E verdient bij paarden extra aandacht

Vitamine E is wel een bijzonder belangrijke voedingsstof bij paarden.

Het is belangrijk voor de bescherming van celmembranen tegen oxidatieve schade en voor een normale samenwerking tussen zenuwen en spieren. Ernstig vitamine-E-tekort kan bij paarden zelf neurologische aandoeningen veroorzaken.

Paarden halen vitamine E vooral uit vers groenvoer. Bij paarden die weinig vers gras krijgen en voornamelijk geconserveerd ruwvoer eten, kan de voorziening daarom aandacht verdienen. 

Weerbaarheid is niet hetzelfde als 'het immuunsysteem boosten'

We horen vaak dat een supplement ‘de weerstand verhoogt’ of ‘het immuunsysteem stimuleert’. Maar een immuunrespons hoeft niet zo sterk mogelijk te zijn. Wat je eigenlijk wilt is: een snelle antivirale respons → voldoende afweer → goede regulatie van ontsteking → zo weinig mogelijk nevenschade → goed herstel.

‘Weerbaarheid’ is daarom een betere term dan ‘boosten’.

En vaccineren dan?

Tegen WNV zijn vaccins voor paarden beschikbaar.

Vaccinatie zorgt voor een adaptieve afweer (zie schema hierboven). Het immuunsysteem krijgt vooraf informatie over de ziekteverwekker, zodat het virus snel herkent wordt en sneller neutraliserende antistoffen en andere specifieke immuunreacties beschikbaar zijn.

WUR adviseert rekening te houden met ongeveer vier tot zes weken voordat na vaccinatie bescherming is opgebouwd.

Vaccinatie verdient daarom een plaats in de risicoafweging. Maar het is één onderdeel van preventie.

Je kunt niet tegen ieder virus vaccineren

Dat wordt de komende jaren waarschijnlijk steeds relevanter.

WUR beschrijft vectorovergedragen infectieziekten inmiddels als een groeiende bedreiging voor mens en dier. Klimaatverandering, veranderingen in landgebruik en globalisering vergroten volgens WUR het risico dat nieuwe virussen worden geïntroduceerd en zich blijvend kunnen vestigen. Warmere omstandigheden kunnen niet alleen invloed hebben op het aantal en de verspreiding van vectoren, maar ook op de snelheid waarmee bepaalde virussen zich ín een mug of knut ontwikkelen.

Maar klimaatverandering is niet de enige factor. Ook trekvogels, internationale dierbewegingen, handel, veranderend landgebruik en ecologische veranderingen spelen een rol.

We zullen dus waarschijnlijk vaker worden geconfronteerd met ziekteverwekkers die voorheen vooral zuidelijker voorkwamen of die nieuw ontstaan of worden geïntroduceerd. En niet tegen alle virussen bestaat een vaccin. Dat maakt een bredere visie op preventie noodzakelijk. Een ook al zou voor al die virussen een vaccin zijn: hoe veel vaccins wil je je paard dan geven? Waar ligt een grens?

Van angst naar risico begrijpen

Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste les van de huidige ontwikkelingen. Het is verstandig rekening te houden met een toekomst waarin vectorovergedragen infecties vaker onze kant op komen. Maar een virusmelding vertelt op zichzelf nog niet hoe groot het risico voor een individueel dier is.

Daarvoor moeten we verschillende vragen stellen:

  • Hoe groot is de blootstelling?
  • Hoeveel dieren raken daadwerkelijk geïnfecteerd?
  • Hoeveel geïnfecteerde dieren ontwikkelen klinische ziekte?
  • Hoeveel daarvan worden ernstig ziek?
  • Welke eigenschappen van virus, vector, omgeving en gastheer beïnvloeden dat?
  • Welke specifieke preventie is beschikbaar?
  • En hoe zorgen we ervoor dat het dier zelf in een zo goed mogelijke uitgangspositie verkeert?

Voor sommige van die vragen hebben we inmiddels goede antwoorden. Voor andere nog nauwelijks. Dat hoeft geen reden te zijn voor angst, maar wel voor alertheid en nieuwsgierigheid.

We kunnen keuzes maken op basis van wat we wél weten. We kunnen gebruikmaken van gerichte bescherming wanneer we dat zinvol vinden (eventueel een vaccin) en tegelijkertijd zorgen dat onze paarden in een zo goed mogelijke uitgangspositie verkeren.

Want uiteindelijk kunnen we een paard niet tegen iedere ziekteverwekker vaccineren. En we kunnen ook niet iedere mug of knut tegenhouden. Nieuwe virussen zullen waarschijnlijk blijven opduiken.

Wat we wél iedere dag kunnen doen, is investeren in de basis: goede voeding, voldoende beweging, een gezond gewicht, rust en herstel en het voorkomen of aanpakken van tekorten en gezondheidsproblemen. Want hoe beter de basis, hoe beter het lichaam in staat is om zijn eigen afweer in te zetten, schade te beperken en te herstellen.

Misschien is dat wel de belangrijkste verschuiving die we moeten maken: niet bij ieder nieuw virus alleen vragen waar we bang voor moeten zijn, maar vooral proberen te begrijpen wat het werkelijke risico is, wat we kunnen beïnvloeden en welke bescherming in onze eigen situatie passend is.

Kennis geeft geen garantie dat een paard niet ziek wordt. Maar het geeft ons wel iets anders: de mogelijkheid om bewuste keuzes te maken waar jij (en je paard) je comfortabel bij voelen. 

M A R J O N

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.